Endotracheale Intubatie
Bij de technische beheersing en regulering van de ventilatie is in veruit de meerderheid van de gevallen een endotracheaal ingebrachte tube van cruciaal belang voor een adequate behandeling.
Reeds in 1880 formuleerde Macewen haarscherp de indicaties tot endotracheale intubatie, welke heden ten dage ook nog gelden:
| het veilig stellen van de luchtweg bij operaties | |
| toedienen van anesthesie via de tube | |
| beademen met een tube met cuff | |
| openhouden van de luchtweg bij larynxoedeem | |
| continue mogelijkheid voor broncho-tracheaal toilet |
Intubatietechnieken
| oraal met een laryngoscoop | |
| oraal met een laryngoscoop waarbij men gebruikt maakt van een voersonde in de tube | |
| nasaal met behulp van een laryngoscoop | |
| nasaal na een orale intubatie | |
| blind nasale intubatie | |
| intubatie met behulp van een flexibele endoscoop | |
| retrograad met bijvoorbeeld een epiduraal katheter | |
| re-intubatie met behulp van een voersonde | |
| endobronchiale intubatie | |
| intubatie met behulp van een dubbel lumen tube | |
| intubatie door middel van een trach-light |
In de intensive care zal in de meeste gevallen sprake zijn van een orale intubatie door middel van een laryngoscoop. Grofweg kan men de patiënten waarvoor endotracheale intubatie en beademing geïndiceerd zijn verdelen in twee categorieën:
- de diep hypoxische bewusteloze patiënt die zonder enige vorm van anesthesie, sedatie of anxiolyse per acuut geïntubeerd en beademd dient te worden,
- de nog wakkere patiënt.
Een endotracheale intubatie is bij een wakkere patiënt een fysiek en psychisch belastende medische ingreep die niet zonder medicamenteuze ondersteuning kan geschieden.
De volgende technieken staan ons ter beschikking:
| geen anesthesie, geen relaxatie | |
| alleen relaxatie | |
| algehele anesthesie | |
| alleen lokaalanesthesie | |
| algehele en lokaalanesthesie | |
| algehele anesthesie en relaxatie | |
| algehele anesthesie en relaxatie en lokaalanesthesie |
Geen of inadequate anesthesie maakt het voor de arts uiterst lastig om de tube endotracheaal te positioneren en heeft voor de patiënt een aantal uiterst negatieve gevolgen:
| een ernstig psychisch trauma |
| stijging van hartfrequentie en bloeddruk |
| hartritmestoornissen, eventueel asystolie, ventrikkelfibrilleren |
| verhoogde zuurstofconsumptie |
| hoesten |
| hypersecretie |
| laryngo-tracheo-bronchospasmen |
In de praktijk zijn twee vormen van "verdoving" geschikt;
Lokaal anesthesie waarbij de patiënt al dan niet wordt gesedeerd.
Algehele anesthesie met relaxatie.
WEES ZELF VOORBEREID
CONTROLEER HET INSTRUMENTARIUM, DE MEDICAMENTEN, DE VENTILATOR EN DE MONITORING
ONDERZOEK DE PATIENT VAN TEVOREN EN BEREID HEM OF HAAR VOOR
POSITIONEER DE PATIENT
De meeste problemen bij luchtweg management zijn multifactorieel. Een inadequate voorbereiding, het niet kunnen anticiperen op of het onderkennen van complicaties, onvoldoende aandacht of onvoldoende ervaring, zijn het meest frequent de aanleiding tot problemen. Voor het technisch goed kunnen uitvoeren van een endotracheale intubatie en het voorkomen van complicaties is een basale anatomische kennis van de luchtwegen en hun directe omgeving noodzakelijk. Daarbij zijn naast de anamnese en lichamelijk onderzoek(anatomische bijzonderheden met invloed op de luchtweg), tevens de röntgenologische bevindingen van groot belang.
De praktijk
Voor de keuze van de juiste endotracheale tube zijn enkele anatomische gegevens van belang. De afstand van de tandenrij tot aan de stemspleet is bij volwassenen 11 tot 16 cm, de lengte van de trachea varieert in het algemeen van 10 tot 12 cm. Is de endotracheale tube langer dan 21 cm dan bestaat theoretisch de kans dat bij sommige patiënten er endobronchiaal wordt geïntubeerd met alle gevolgen van dien. Om dit te voorkomen kan men het beste de lengte van de tube afmeten aan de buitenkant van de patiënt. De trachea begint direct distaal van het cricoïd, de bifurcatie ter hoogte van de angulus sterni.
Het is goed zich te realiseren dat het nauwste gedeelte van de luchtweg bij volwassenen de stempleet is. Bij kinderen is dat subglottisch ter hoogte van het cartilago cricoidea. Bij het opvoeren van een tube in de luchtweg is het aan te raden bij weerstand (vooral in deze twee anatomische regionen) een kleinere maat tube te nemen.
In principe is het verstandig de tube doorsnede aan de kleine kant te houden. Bij een vrouw voldoet meestal een tube 7, bij de man is een tube 8 voldoende. Bij intubatie van kinderen dient men verschillende maten tubes gereed te houden daar in de praktijk vaak blijkt dat de noodzakelijke diameter van de tube het best a vue is te bepalen.
De laryngoscoop
In de loop van de tijd zijn er een veelheid aan typen laryngoscopen beschikbaar gekomen.
Grofweg kan men kiezen uit twee hoofdtypen. Met het blad, volgens Macintosh, gekromd en
het type volgens Magill (Miller) waarbij het laryngoscoop blad recht is. Afhankelijk van
de grootte van de patiënt kunnen bladen van verschillende grootte aan het handvat worden
bevestigd.
De intubatie
Een correcte positionering is uitermate belangrijk voor een succesvolle intubatie. Over
het algemeen wordt de handeling uitgevoerd met de patiënt in rugligging. Het hoofd wordt
als het ware een beetje gestrekt in het atlanto-occipitale gewricht. In deze positie
de sniffing position" is de afstand tussen de tandenrij en de aditus
laryngis het kleinst.
Van wezenlijk belang is het vervolgens de laryngoscoop in de rechter mondhoek van de patiënt in te brengen en de tong naar links te manoeuvreren. Vervolgens gaat men de punt van het laryngoscoop blad op zoek naar de epiglottis. Is deze gevisualiseerd dan is het inde meeste gevallen gemakkelijk de stembanden a vue te brengen en de tube op te voeren.
Literatuurverwijzing
Luchtwegmanagement Dr. GJ Scheffer et al. Wetenschappelijke uitgeverij Medical Transfer bv.1998